Heul! Heul!

De Oudegracht heeft talrijke oude stenen bruggen, die destijds met een steile hellingsboog over het water waren gebouwd om vroeger een vrije doorgang voor de vrachtschepen mogelijk te maken. In een oude Utrechtse legende spelen deze boogbruggen een belangrijke rol.

Vlak buiten de stadswallen, in Abstede, begonnen de hoveniersvelden waar groente en fruit werd verbouwd. Een paar eeuwen geleden reden daar welgestelde lieden op zon- en feestdagen op karossen, waarvan de aanspanning uit één of twee paarden bestond.  Een rijke hovenierszoon reed op zondag, met het beste paard voor de sjees, naar de stad. Met naast zich een mooie boerenmeid, waar hij al langer een oogje op had.

Ze reden met hoge snelheid onder de Tolsteegpoort door; indruk makend op de poortbewaker, die verantwoordelijk was voor de controle op wie er de stad inkwam. Langs Achter de Twijnstraat (nu Oudegracht) reden ze in gestrekte draf, langs de verblufte ‘poorters’ (de inwoners) van de stad.

Hossend en ratelend ging het over de grote keien de Vollersbrug over, en aan de overzijde van de Oudegracht langs ‘de gesloten steen’ waar het paard schrok… en op hol sloeg.

In dolle vaart ging het nu de Geertebrug op en het hollende paard nam zijn draai te kort, zodat de sjees tegen de leuning van de brug aankwamen, die daardoor bezweek en de gehele aanspanning, met paard en de jonggeliefden, in het water terecht kwam. De hovenierszoon en boerendochter en het paard verdronken jammerlijk in het grachtwater.

Dit onheil bracht grote verslagenheid teweeg in Abstede. In de weken daarna durfde geen hovenierszoon ‘de gesloten steen’ meer voorbij; maar eindelijk was er een durfal, die het toch te dwaas vond om zich door zo’n domme kei te weerhouden. En de volgende zondag zag men hem weer met zijn schone langs de Oudegracht rijden, brug op, brug af. Ze sloegen geen enkele brug over onder het geroep van ‘heul! heul!’ Wat zowel ‘help!’ (wat de onfortuinlijke jonggeliefden hadden geroepen) als ook ‘helling’ betekent)

De daarop volgende zondag durfden al weer meer hovernierszonen richting de stad te rijden. En weldra zag men ze iedere zondagmiddag weer binnenrijden, brug op, brug af, om te ‘heulen’, zoals men het toen noemde. En dat heul-geroep ging steeds gepaard met het wisselen van enige flinke zoenen tussen de jonggeliefden.

Bewoners en passanten op de Oudegracht vonden het maar aanstotelijk gedrag. Eerst was ‘t een aardigheid geweest waar iedereen om gelachen had; nu werd het een ergernis, waarvoor men zijn kinderen in huis haalde. Niet lang daarna werd, terwille van de goede zeden, door het stadsbestuur het ‘heulen’ verboden.

Uit was nu de pret voor de hovernierszonen. De hellebardier van de Tolsteegpoort kreeg instructie om de ‘heulers’ voor de poort te weren. Men kon normaal rijden, maar zonder te ‘heulen’.

De jongelui die in het gewoon rijden door de stad als weinig vermaak zagen, keerden het Sticht de rug toe en lieten zich zondags niet meer zien. Op de bruggen werd niet meer “geheuld”. Slechts de legende bleef voor het nageslacht bewaard.

Bronnen:
J.R.W. Sinninghe, 1938 (herdruk 1978), Utrechtsch sagenboek, Thieme & Cie, Zutphen
Utrecht – Historische wandelingen, Wagenaar, 1909

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll Up