Schouwburg in brand

In 1796 werd hier in de stad de eerste schouwburg geopend. Tot dan was er op religieuze gronden altijd een verbod op een schouwburg geweest. Na opheffing daarvan was bij het Gemeentebestuur door visboer en entertainer Cornelis Koppedrajer een plan ingediend om op het Vreeburg een schouwburg op te richten, waarvoor hij al snel toestemming kreeg.

Er waren meerdere redenen om tot de bouw over te gaan: Tot dan waren er tenten in gebruik, welke door slijtage ernstige gebreken vertoonden en gevaar opleverden voor het publiek. Onder de studenten was veel behoefte aan toneel. Maar bovendien was er een groot garnizoen van een onder Napoleon dienend leger in de stad gelegerd, waaronder ook veel jongelieden die van goede huize kwamen en belangstelling hadden voor toneel.

Het werd een houten gebouw op stenen fundering. Men sloeg ijverig aan het bouwen, zodat de schouwburg nog in hetzelfde jaar van de gunning, kon worden geopend. In de eerste jaren bleef het gebouw ’s winters onverwarmd! Pas, na vier jaar, in 1800 kreeg Koppedrajer toestemming van de Raad om er kachels in te zetten.

Lodewijk Napoleon, die Utrecht als residentie verkoos, verleende de schouwburg in 1807 het predicaat ‘koninklijk’. Evenals zijn broer keizer Napoleon was Lodewijk een fervent liefhebber van toneel en opera. Voor hem en zijn hofhouding werd een koningsloge gebouwd. Er werden zowel Franstalige als Nederlandstalige stukken opgevoerd.

In de vroege morgen van een koude januarimaand in 1808 brandde het gebouw tot de grond toe af. De avond ervoor had de koning de voorstelling nog bijgewoond. Hij had een hekel aan de Nederlandse kou, zodat de kachels flink hoog waren opgestookt, zodat de pijpen roodgloeiend stonden. Vermoed werd, dat dit de oorzaak van de ramp was.

Het houten gebouw was brandgevaarlijk, maar ook de toneelattributen, zoals de decors waren gevoelig voor brand. De lampen in zaal en toneel brandden op olie. Onder het toneel stond een vol vat met lampolie, die licht ontvlambaar was. Het gehele theater met rekwisieten, kostuums en muziekinstrumenten van orkestleden werd een prooi van de vlammen.

Men heeft aangenomen dat de kachel de oorzaak van de ramp was. In 1823 verscheen er een Franstalig boekje over het ‘Hof van Holland onder het bewind van Lodewijk Napoleon’, waarin de auteur een pikantere reden voor de brand gaf.

De conciërge van de schouwburg woonde met zijn gezin in het gebouw. Zijn twee levenslustige dochters deelden één slaapkamer. De zusters hadden omgang met leden van het Franse hof. Die bewuste nacht waren de beide minnaars op bezoek. Door de achteringang waren ze naar binnen geloodst. Monsieur de Coulincourt, een hoveling van aanzien, werd op de slaapkamer van de knapste zuster toegelaten. Nummer twee, een Hollandse paleisbediende van Lodewijk, mocht zich met de tweede zuster op het toneel vermaken. Hij was een hartstochtelijk pijproker. Na afloop van zijn herdersuurtje rollebollend op het podium (..) moet hij zijn pijp aan het toneellicht hebben opgestoken. Toen hij in de vroege ochtend het gebouw uitglipte, was een felle tochtstroom de oorzaak dat de olievlam van de lamp de decors aanstak.

De Coulincourt werd pas wakker door het rumoer van buiten. Nadat hij zich snel had aangekleed en de deur van de slaapkamer opende, raakte hij bijna bedwelmt door de rook. Zijn geliefde nam hem bij de hand en loodste hem naar de uitgang van de reeds flink brandende schouwburg. Zo kon hij toch nog ongezien verdwijnen.

Nog dezelfde morgen schaarde hij zich onder de honderden nieuwsgierigen, die op de fameuze brand waren afgekomen. Later heeft hij edelmoedig hulp verleend aan het gezin van de conciërge, dat door de catastrofe van al zijn bezittingen was beroofd.

Op bevel van Lodewijk Napoleon, die zijn toneelgenoegens niet kon missen, werd het koor van de St. Mariakerk, dat al geruime tijd als Stadsconcertzaal in gebruik was, tijdelijk herschapen in een toneel-theater. Jan David Zocher, dezelfde architect die voor de stad de singelplantsoenen had ontworpen, was met de verbouwing belast. Hier kwam later het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen.

Lodewijk Napoleon besliste kort hierna om Utrecht te verlaten en zijn residentie in Amsterdam te vestigen. Na zijn vertrek is men met de noodsituatie hier nog jaren blijven doorsukkelen. Koppedrajer kreeg het kapitaal voor de herbouw van de schouwburg niet bijeen. Het duurde even, maar in 1821 opende op dezelfde plek op het Vreeburg een nieuwe schouwburg, die er tot 1941 bleef staan. De Stadsschouwburg zit sindsdien op het Lucasbolwerk

Bronnen:
Toneel in Utrecht in de twintiger en dertiger jaren C.A. Schilp, 1975
https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Koninklijke_Schouwburg,_Utrecht
Beeldbank Het Utrechts Archief

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll Up