Toren van Babel

De Domtoren is al heel lang de trots van de stad. In 1254, een jaar na de grote stadsbrand, werd de eerste steen gelegd voor de nieuwe, gotische Dom. In 1321 begon de bouw. De bouw ging snel: in 1382 was de toren voltooid.

Tientallen jaren moet de Servetstraat één grote bouwplaats zijn geweest. Bij de Maartensbrug werden de stenen uit de schepen geladen: natuursteen uit de Ardennen en Duitsland en rode bakstenen uit de omgeving van Utrecht. Houten bouwkranen hesen de stenen omhoog, tot waar de metselaars bezig waren.

De bouw van de toren kostte veel geld. Kort vóór de voltooiing van de toren, toen men net met het achtkant was begonnen (ca. 1370), protesteerde de boeteprediker Geert de Groote uit Deventer tegen de bouw. Hij vond het maar hoogmoedig vertoon.

Hij dreigde met het voorbeeld van die andere beroemde, hoge toren, de toren van Babel. Wie weet zou het in Utrecht ook tot zo’n spraakverwarring komen. Geert meende dat dit geheel niet in overeenstemming was met de liefdadigheid Sint Maarten, de schutspatroon van Utrecht. In zijn geschrift ‘Tegen de Utrechtse toren’ verzette hij zich tegen de financiële praktijken, die het project moesten steunen: geld van de kerk, werd armen en zieken onthouden.

Zo’n doel kon de middelen nooit heiligen. Hier werd alleen gestreefd naar een monsterachtig grote kathedraal met een toren, die de hoogste van de Christenheid moest worden. Wat was het nut ervan, als de klokken ook in een lagere toren konden worden opgehangen? Zulke bouwwerken leidden alleen tot opschepperij, ijdelheid en hoogmoed.

Toch werd de toren voltooid en hij bleef, zoals de gehele Dom, gewijd aan Sint Maarten, het toonbeeld van liefdadigheid.

Fragment uit Geert Grootes traktaat ‘Contra Turrim Trajectensem’, ca. 1374:

  • Tegen de hoge nutteloze toren
    Uit de trotsheid en de monsterachtigheid van de toren zien wij intuïtief, hoe men zich het verdere geheel, n.l. het koor en de overige delen van het kerkgebouw voorstelt, zowel wat betreft opsmuk als afmetingen. Laat het volijverige en nieuwsgierige oog om zich heen kijken, welk nut er zit in die zo enorm hoge toren, omdat er immers door deze geen ander nut bereikt wordt, dan dat er klokken in opgehangen worden. Een kleinere, lagere toren zou veel geschikter en passender zijn voor dit gebruik. Al het andere is uit den boze en leidt tot het kwaad (…): ijdelheid, nieuwsgierigheid, grootspraak en trots

 

  • Deze toren leidt wegens zijn hoge bouw tot vele ondeugden (…) Elke reiziger, die de stad nadert of haar doorkruist, staat verbaasd als hij deze hoogte en deze omvang ziet en blijft staan als hij de toren in het oog krijgt (…) En dan zullen niet toe te juichen lofspraken op de toren loskomen. De burgers beroemen zich er op, zij het zonder grond. Het volk prijst de toren en de bouwheren, tot het kwade in staat, voelen zich gevleid door deze roem. Zo ook de regeerders van de stad, die dit gevoel van trots versterken (…) Ach, hoe slecht zijn zij met hun allen!!

Bronnen:
Domtoren 600 jaar | 1382 – 1982, Uitgave 1982
De Oud-Utrechter, september 2013 | De Bouw van de Domtoren, Nettie Stoppelenburg, HUA
Beeldbank Het Utrechts Archief

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll Up